De zoon van Danny Blind is 21 jaar. Danny won in 1995 met Ajax de Champions League, hij is vorig jaar vijftig geworden. Zoon Daley brak door bij Ajax, maar hij zakte ook weer weg. Hij werd verhuurd aan FC Groningen, werd daar steeds beter en kwam weer terug bij Ajax. Na een goed begin zakte hij weer weg. Op de supportersforums speculeren de fans begin 2012 over een snelle verkoop van de jonge Blind. ‘Oprotten, te slecht voor Ajax 1.’ ‘Daley moet speeltijd hebben, dan wordt hij weer beter’, zegt zijn vader en hij probeert zo normaal mogelijk te doen.
Ooit maakte ik een verhaal over Dennis Schulp. Schulp had niet alleen de voornaam en de looks van Dennis Bergkamp, hij kon ook zo goed voetballen. Helaas bleek hij mentaal niet opgewassen tegen het betaalde voetbal. Van Ajax ging hij naar Volendam, Willem II, De Graafschap en daarna zelfs naar een amateurclub. Ik sprak voornamelijk met de vader die ook zijn manager was. Beter dan in het artikel kon het niet verwoord worden: de vader was het probleem! Ik oordeelde hard: vader Schulp moest eens normaal gaan doen.
Zijn de verhalen van de profs in het groot wat wij, vaders en coaches, in het klein beleven? Is het een spiegel waar we iets aan hebben? Kort voor de winterstop speelt ons team, de D2 van Orion, de stadsderby tegen Trekvogels D1. Zoon Teun heeft er zin in. Sam uit zijn klas speelt bij de tegenstander en die zal hij eens even een vette nederlaag bezorgen. Daar komt aanvankelijk weinig van. Trekvogels is beter. Toch komt Orion op 0-1 en 0-2. Zoon Teun jaagt als een Jack Russel tussen de vijandelijke verdediging door. Kort voor tijd kopt hij zowaar de 3-0 binnen en in zijn juichloopje zit zoveel blijdschap dat ik langs de kant kramp krijg in mijn ‘grijns-spieren’. Ik probeer normaal te doen, maar dat is erg lastig.
Een paar weken later spelen we een wintertoernooitje. We hebben twee weken niets gedaan vanwege de kerst. Zoon Teun is niet vooruit te branden vandaag. Net als veel van zijn medespelers trouwens. Ik zie het gelaten aan. Af en toe roep ik een aanmoediging of aanwijzing. Mismoedig gaan we in de rust de kleedkamer in. Daar houdt medecoach Rob een donderspeech.
Na afloop – het is eerder slechter dan beter geworden – lopen we samen naar de auto. Hij is fris gedoucht. ‘Jammer van die ene kans’, zeg ik. ‘Ik kreeg hem voor links’, zegt hij verontschuldigend. Vrij vertaald zei ik: ‘Het ging kloten vandaag.’ Vrij vertaald zei hij terug: ‘Klopt pap. Meer zat er niet in.’ Soms is voetbaltaal zo mooi. Ik ben blij dat ik rustig ben gebleven.
De woensdag erop trainen we. Na de warming up lijken mijn jongens op een groepje huisvrouwen met overgewicht. Ze bewegen nauwelijks en het onderlinge gekwaak is oorverdovend. Gilles is normaalgesproken een van de voetballers is die het vuurtje aan kan steken. Mijn ‘Kom op Gilles, de training is nu echt begonnen’, komt niet aan. Bij een oefening is hij de man met wie de rest moet combineren, de ballen vliegen alle kanten op. Ik zie het drie keer aan en ontplof: ‘(vloek) Gilles. Wat ben je aan het doen. (overslaande stem) Geef die bal eens goed. (vloek)’.
‘Maar trainer, ik probeer…’ , moppert hij. ‘Je probeert niets’, roep ik. ‘Deed je dat maar.’ Gilles schudt zijn hoofd. Om me heen is het stil geworden. Zo boos hebben ze me nog niet gezien. Zoon Teun kijkt de andere kant op. Hier hoort hij echt niet bij.
Of ik te boos deed, vraag ik mijn zoon na de training. Hij zwijgt even. Daarna: ‘Wat denk je zelf pap?’ Ik schaam me, besef ook dat ik het nooit goed kan doen. ‘Maar de training ging daarna wel beter’, zeg ik. Dat kan hij niet ontkennen. ‘Je zegt zelf dat schreeuwen nooit helpt. Doe maar gewoon pap.’ ‘Ik ga het proberen jongen’, hoor ik mezelf zeggen.
Marcel Rözer
Januari 2012